EEN ELDENSE ZOEAAF

door LUCAS VAN ELDEN

In het vorige artikeltje schreven we hoe onze speurtocht naar een Eldense zoeaaf Ė in de bibliotheek van de Radboud Universiteit in Nijmegen - werd onderbroken door een unieke vondst, die betrekking had op Meester Beekman. Al snel na deze spontane onderbreking, konden we de draad van onze oorspronkelijke speurtocht weer oppakken. De speurtocht is eigenlijk nog niet afgerond, maar het resultaat is al meer dan voldoende om U in dit artikeltje voor te stellen aan de enige Eldense zoeaaf. Voordat we dat doen, duiken we eerst in de ontstaansgeschiedenis van het land ItaliŽ.

DE STRIJD OM DE KERKELIJKE STAAT
Het ItaliŽ - zoals we dat nu kennen - vond zijn ontstaan in de tweede helft van de 19de  eeuw. In het begin van de 19de eeuw was het gebied, ook wel Italiaanse laars genoemd, een lappendeken van kleine soevereine staten. In het midden van de laars, met als centrum Rome, lag een land zo groot als Nederland: de Kerkelijke Staat. Het staatshoofd van dit land was de paus, hiermee was hij zowel kerkelijk als wereldlijk leider. Deze staat was eigenlijk een doorn in het oog van Victor Emanuel II, koning van SardiniŽ. Nadat Victor Emanuel II in 1849 het koningschap van zijn vader overnam, streefde hij voor ťťn verenigd ItaliŽ. In Guiseppe Garibaldi, voormalig legerofficier, vond Koning Victor Emanuel II een groot medestrijder. Na de nodige gewapende conflicten was het in 1861 eindelijk zover. Op 17 maart 1861 werd Victor Emanuel II officieel benoemd tot koning van ItaliŽ. Twee staten in het gebied van de Italiaanse laars bleven aanvankelijk soeverein; VenetiŽ en de Kerkelijke Staat. Door toedoen van Pruisen kreeg het jonge Koninkrijk ItaliŽ in 1866 VenetiŽ, we zouden kunnen zeggen als dank voor de steun die het jonge koninkrijk leverde aan de Pruisen in hun strijd tegen Oostenrijk.Met de Kerkelijke Staat had Koning Victor Emanuel II meer problemen. Het deelde zijn plannen voor ťťn verenigd koninkrijk letterlijk in tweeŽn, zoals ook op de afbeelding te zien is.

De landkaart van ItaliŽ ten tijde van de strijd om de Kerkelijke Staat
De Italiaanse laars in het midden van de 19de eeuw.
Het gearceerde gebied is de Kerkelijke Staat tot 1859.
Het grijze gebied is Patrimonium Petri 1860 tot 1870.
(Bron: oorspronkelijke tekening uit ďUit het epos der 3000 Nederlandse ZouavenĒ)

Onder invloed van de revolutionaire beweging, die in de eerste helft van 19de eeuw Europa in de ban had, besloten de politieke leiders in de gebieden Romagna, Marken en UmbriŽ zich in 1859 af te splitsen van de Kerkelijke Staat en zich aan te sluiten bij het Koninkrijk ItaliŽ in wording. Het leger van de paus, dat de Kerkelijke Staat moest verdedigen en de eenheid in het land moest bewaren, stelde niet veel voor. Van de 8000 man deserteerden er in 1859 zoín 2500. De paus kreeg militaire steun uit Frankrijk, maar deze steun diende meer als bescherming voor de paus als kerkelijk leider. Het grondgebied van de Kerkelijke Staat erkende Frankrijk niet, met uitzondering van Rome en omgeving, ook wel bekend als Patrimonium Petri. De dreiging van de troepen van Koning Victor Emanuel II nam toe, de eerste strijdhandelingen vonden plaats op 11 september 1860. Al snel stonden de troepen van Victor Emanuel II voor de poorten van het Patrimonium Petri. De gebieden Romagna, Marken en UmbriŽ gingen deel uit maken van het ItaliŽ in wording. Dat er wat moest gebeuren ter bescherming van de paus en zijn staat was voor sommigen duidelijk, de Belg Xavier de Merode nam het voortouw. Hij begon met het werven van vrijwilligers voor de strijd tegen de troepen van Victor Emanuel II. Op 1 januari 1861 was het officieel; het Korps der Pauselijke Zoeaven (Zuavi Pontifici) werd door Paus Pius IX opgericht. De strijd rond Rome duurde tot 20 september 1870, toen viel uiteindelijk Rome in handen van Koning Victor Emanuel II. Een dag later werden alle pauselijke zoeaven ontwapend en huiswaarts gezonden. De belangrijkste reden voor de val van Rome was de terugtrekking van de Franse troepen uit de stad. Frankrijk was op 19 juli 1870 in oorlog geraakt met Pruisen en kon de troepen goed gebruiken voor de verdediging van het eigen grondgebied. De Italiaanse Koning Victor Emanuel II erkende de onschendbaarheid en soevereiniteit van de paus als kerkelijk leider, de situatie rondom de Kerkelijke Staat bleef echter lang onduidelijk. De paus werd ďgevangeneĒ van het Vaticaan. Uiteindelijk sloten Paus Pius XI en Benito Mussolini op 11 januari 1929 het Verdrag van Lateranen, waarin de staat Vaticaanstad officieel werd opgericht.

HET KORPS DER PAUSELIJKE ZOEAVEN
Eťn van de militaire leiders binnen het Korps der Pauselijke Zoeaven was de Franse Graaf BecdeliŤve. Hij had met het Franse Leger gediend in Algerije en had daar kennis gemaakt met de stam der Kabylen. De Fransen noemden deze militairen ook wel Zouaves. Het tenue van deze eenheid sprak de Franse graaf aan. Hij introduceerde de naam Zoeaven en ontwierp ook het markante militaire tenue. Het bestond uit een blauwgrijze pofbroek met een lange rode buikband, een blauwgrijs vest en kort blauwgrijs jasje met rode tressen. Als hoofddeksel hadden ze een blauwgrijze kepie. Zoín 11000 vrijwilligers hebben dit uniform gedragen, vanuit Nederland alleen al 3181 man! Nederland was overigens de grootste leverancier voor militairen die wilden strijden voor de paus. Op zich bijzonder, daar Nederland overwegend protestants was en ook een protestantse vorst had; Koning Willem III.

Zoeaaf Pieter Jansz. Jong
De bekendste Nederlandse zoeaaf: Pieter Jansz. Jong, in het zoeaven uniform.
Door zijn heldendaad in de Slag bij Monte-Libretti op 18 oktober 1867,traden vele toe tot het Korps der Pauselijke Zoeaven.
(Bron: ansichtkaart van het Nederlands Zouavenmuseum te Oudenbosch)

Na de oproep van de paus in 1861 om te helpen met de strijd voor het behoud van de Kerkelijke Staat, gingen er maar mondjesmaat Nederlandse jongens richting Rome. Dit gebeurde dan meestal op eigen gelegenheid via Brussel en Parijs. Tot 1865 toen namen de aantallen Nederlandse vrijwilligers toe, en was er duidelijk een selectie- en wervingsorganisatie nodig. De Amsterdamse pater Cornelis de Kruyf had in 1864 een bezoek gebracht bij de Nederlandse Zoeaven in Rome, hij was verkocht voor ďde zaakĒ en besloot de kar te gaan trekken. Op het hoogtepunt rond 1867 waren er weken bij dat er meer dan 100 vrijwilligers vertrokken vanuit Nederland richting Rome.

LAMBERTUS PETERS
Wanneer Lambertus Peters exact het besluit nam om zich aan te melden als vrijwilliger voor de strijd om de Kerkelijke Staat konden we niet achterhalen. Mogelijk dat berichtgeving in de Katholieke Illustratie over de strijd rond Rome hem op het idee bracht. Het zou ook mogelijk kunnen zijn, dat Pastoor van Lith (1855-1868) tijdens zijn catechismus lessen - in de Heilige Lucaskerk aan de Drielse dijk - over de strijd in het verre ItaliŽ vertelde. Lambertus meldde zich in ieder geval aan op 15 december 1867. Bij zijn aanmelding had hij een uitreksel van het geboorteregister, een bewijs van toestemming van zijn moeder, een getuigschrift van goed gedrag van de pastoor en een bevestiging van zijn woonplaats bij zich.

Doopboek van de Heilige Lucasparochie te Elden, doopinschrijvingen van 10 maart 1850
Drie doopinschrijvingen op 10 maart 1850, de laatste van die dag is van Lambertus Peters.
De dopen en de inschrijvingen in het register zijn verricht door Pastoor Huberts (1841-1855)
(Bron: Doopboek Heilige Lucasparochie Elden 1797-2005)

Lambertus werd geboren op 10 maart 1850 om 8 uur Ďs avonds in Elden. Zijn ouders waren Antoon Peters en Engelina Willemina Menting. Antoon was van beroep klompmaker en was bij de geboorte van Lambertus 35 jaar oud. Nog geen jaar voor de geboorte van Lambertus was Antoon met Engelina in Heteren in het huwelijk getreden, en wel op 12 april 1849, Antoon was geboren in Didam en Engelina zag het levenslicht in Randwijk. Als 17-jarige jongen begon Lambertus dus aan een bijzondere levenservaring; zoeaaf bij het Korps der Pauselijke Zoeaven. De meeste vrijwilligers meldden zich bij Pater de Kruyf in Amsterdam. Mogelijk dat Lambertus dit ook deed, hier zal dan zijn reis begonnen zijn naar het verre Rome. Vanuit Amsterdam ging het met de trein naar Rotterdam, vervolgens met de stoomboot naar Moerdijk en dan weer met de trein naar Oudenbosch. Daar werd Lambertus ontvangen met een drankje om vervolgens diverse instructies te krijgen. Oudenbosch was het centrum waar alle aspirant-zoeaven tezamen kwamen. Vervolgens ging het - onder begeleiding - via Brussel en Parijs naar Marseille een reis die enkele dagen duurde. Om het gebied van het Koninkrijk ItaliŽ te om zeilen, ging het met de boot naar Civitavecchia om het laatste stukje naar Rome wederom met de trein af te leggen. In Rome stond meestal Pater Wilde op het perron, hij ving de Hollandse jongens op om ze te begeleiden naar de Hollandse sociŽteit. Ook Lambertus had hier zijn eerste ontmoeting met de Hollandse SociŽteit. Vandaar ging het naar een kazerne waar hij eindelijk zijn 8 weken durende militaire training kreeg. Kerstmis vierde Lambertus in 1867 in Rome. Tot 31 december 1869 bleef Lambertus onder de wapenen. Veel oorlogshandelingen werden er in die jaren niet gepleegd. De belangrijkste taken waren het onderdrukken van de opstandjes door aanhangers van het Koninkrijk ItaliŽ in Rome. Ook waren er vele oefeningen in de omgeving van Rome. Oefeningen die met grote regelmaat werden bezocht door Paus Pius IX. Behoudens de vele oefeningen was er voor Lambertus ook de nodige vrije tijd. Deze vrije tijd werd veelal doorgebracht met bezoeken aan de Hollandse SociŽteit en de Heiligdommen in Rome.

THUISKOMST
Waarom Lambertus op 31 december 1869 werd ontslagen bij het Korps der Pauselijke Zoeaven konden we niet achterhalen. Het zou kunnen, dat hij een contract had getekend van 2 jaar. Begin 1870 kwam Lambertus in ieder geval in Nederland aan. We kwamen Lambertus weer op het spoor in Nijmegen. Hij woonde en werkte daar, hij trad namelijk op 25 mei 1871 in Nijmegen in het huwelijk met Maria Hendrina Reuskens. Lambertus verdiende de boterham als pakhuisknecht. Uiteindelijk verhuisde Lambertus naar Rotterdam. Daar ontving hij, wonende aan de Plantagestraat 12, voor het eerst een uitkering als oud-pauselijk zoeaaf . Dit geschiedde in maart 1919, hij ontving de somma van fl. 10,00. Ook Lambertus was het bewijs, dat zoeaven gezonde Hollandse jongens waren. Hij haalde ook een hoge leeftijd zoals bleek uit een vermelding in de Katholieke Illustratie. Wanneer hij exact overleed bleef tot op heden nog onbekend.

Katholieke Illustratie 5 februari 1930 L.Peters 80 jaar
De tweede van links is de 80-jarige Lambertus Peters.
(Bron: Katholieke Illustratie 5 februari 1930, bibliotheek Radboud Universiteit Nijmegen)

NAWOORD
Van een verwantschap tussen de families Peters, die momenteel in Elden wonen, en de Eldense zoeaaf is tot op heden nog geen bewijs gevonden. Momenteel wordt er door ons gezocht in Rotterdam naar nazaten van Lambertus Peters, de enige Eldense zoeaaf. Informatie is altijd welkom via: info@lucasvanelden.nl

BRONNEN
Archieven:
Gelders Archief Ė Burgerlijke Stand Elst
Internet:
www.genlias.nl.
www.wikipedia.nl
www.zouavenmuseum.nl
Literatuur:
De vuist van de paus, Wim Zaal, Amsterdam, 1980
Genealogie nummer 1 jaargang 12, Centraal Bureau voor Genealogie, Den Haag, 2006
Katholieke Illustratie nummer 19 jaargang 64 (5 februari1930), Haarlem, 1930
Pius IX en zijn roemrijk leger, Henri Bogaerts, ís-Hertogenbosch, 1869
Snuffelarijen rondom Lucas, Renť Maassen, Elden, 1997
Uit het epos der 3000 Nederlandse zouaven, Br. Christofoor, Nijmegen, 1947
Voor paus en koning, drs. P. van Essen, Oudenbosch, 1998


© 2008-2014 Lucas van Elden, Arnhem.